• Brief Arjen Kleinherenbrink

  • Beste Arjen Kleinherenbrink,

    ‘Now for the other life, the one without mistakes,’ schrijft de Amerikaanse dichter Lou Lipsitz. Het zouden de woorden op de grafsteen van de twintigste eeuw kunnen zijn, een periode waarin men vele malen probeerde de geschiedenis van tafel te vegen om er een nieuwe, plooiloze maatschappij voor in de plaats te zetten. De communisten probeerden het, de nationaal-socialisten ook, en in het klein de Hoog-Modernistische stedenbouwkunde, een beweging die zich in Nederland bijvoorbeeld vastbeet in de Amsterdamse Bijlmermeer.

    Een nieuw leven, geen fouten. Het was een eeuw van het nieuwe begin, vaak vergezeld door een duidelijk eindpunt, vergezicht of ideaalbeeld. Voor Le Corbusier, de Franse urbanist en vader van de invloedrijke Hoog-Modernistische stedenbouwkunde, was dat eindpunt een overzichtelijke, rationele en schone stad. Le Corbusier hekelde de Europese steden van de vorige eeuw, vond ze rommelig en vies. Parijs noemde hij de vleesgeworden Inferno, de hel uit het werk van de Italiaanse schrijver Dante.

    Volgens Le Corbusier was het allemaal niet zo moeilijk. Wat een stad is, is een verzameling publieke functies - werk, wonen, verkeer. Daar moet een stadsontwerp zo goed mogelijk in voorzien. Om dit voor elkaar te krijgen scheidde Le Corbusier wat normaal door elkaar heen liep. Fietspaden overlapten niet met voetgangerspaden, er was één stadsdeel voor werk en één voor wonen. Straten waren breed opgezet, en liepen in een duidelijk raster door de stad. Zo werd de stad zoals hij die graag zag: de reflectie van een enkel, rationeel plan.

    In zijn ontwerpen trok Le Corbusier zich moedwillig niets aan van wat er in een land al was aan traditie, geschiedenis en context. Dat was onnodig, en zou de objectieve oplossing enkel vertroebelen. Hield je je aan zijn principes, dan zou je met een goed functionerende stad eindigen, of je die nou in Frankrijk of Moskou neerzette. Zijn ontwerpen waren zogezegd utopieën in de letterlijke zin van het woord, niet-plaatsen, van het Latijnse ‘ou’ en ‘topos’. In hun neutraliteit konden ze overal staan.

    Het Hoog-Modernisme in de stedenbouw is om die redenen een perfecte illustratie van het tijdperk van het nieuwe begin dat wij hier proberen te definiëren. Het is een tijd waarin grote idealen nagestreefd werden, grote sprongen voorwaarts werden gemaakt, samenlevingen met brede stroken opgeknapt werden. In de woorden van Le Corbusier zelf: ‘Let’s make our plans, plans on a scale with twentieth century events, plans equally as big as Satan’s war….. Big! Big!’

    Zulke grote stappen maak je alleen vanuit een grondige haat voor het heden. In plaats van in te grijpen in bestaande en levende steden, veegde Le Corbusier die compleet van tafel om zijn ideaal ervoor in de plaats te zetten. Now for the other life, the one without mistakes!

    Het tijdperk van het nieuwe begin zit er op. In het klein, omdat de fouten in de Hoog-Modernistische steden niet weg bleven. Context en geschiedenis sijpelen altijd het project in. Exemplarisch is de mislukking van Brasilia, de Braziliaanse hoofdstad die men in de jaren vijftig in vijf jaar tijd uit de grond stampte. Men had onder andere geen rekening gehouden met de arbeiders die er - om de stad te bouwen! - moesten wonen. Binnen de kortste keren ontstond er een schaduwstad
    aan geïmproviseerde en gekraakte woningen die zich niets aantrok van het formele stadsontwerp. Socio-economische omstandigheden bleken toch belangrijk voor het succes van een stad.

  • In het groot zit het tijdperk erop omdat de mens niet langer de maat der dingen is, en dat achteraf gezien nooit was. Het was al arrogant te denken dat je politiek, cultuur, tradities en geschiedenis buiten beschouwing kon laten, des te arroganter is het om daarbovenop ecologieën en de gehele geogeschiedenis te negeren. De hoeveelheid contexten is verveelvoudigd nu het klimaat geen stabiele achtergrond meer is, maar steeds vaker en heftiger reageert op ons handelen.

    Le Corbusier lijkt op de karikatuur van een chirurg: zonder vragen de operatiekamer binnenkomen, de boel wegsnijden en nog voordat de patiënt weer bij is gekomen de ruimte verlaten. De chirurg hoeft niet te weten waarom de patiënt daar ligt, of wat er daarna staat te gebeuren. Net zo goed was volgens Le Corbusier alles wat tot de bestaande, levende stad had geleid irrelevant. En ook als het mis ging na zijn ‘ingreep’ lag dat niet aan zijn methodiek en ontwerp, maar aan hen die het waagden zich niet aan ‘het plan’ te houden. Het probleem was steeds de chaos en zogenaamde wanorde van de reëel bestaande situatie - was de wereld maar een operatiekamer!

    Eén blik in het nieuws volstaat om te zien dat onze wereld er niet bepaald ordelijker op is geworden. Steeds minder leven we in die nette, gedesinfecteerde operatiekamer. Een heel klein voorbeeld is genoeg om dit duidelijk te maken: het lot van het Nederlandse lievelingetje, de grutto. De vogelbescherming maakt zich sinds kort druk over de bouw van een Portugees vliegveld vlakbij de monding van de Taag, waar de Grutto - en vele andere vogels - uitrusten tijdens hun jaarlijkse trek vanuit West-Afrika. Het vliegveld zou de Portugese toerismesector een boost moeten geven. Maar: wél vliegveld betekent géén uitrustplek, en vervolgens zeer waarschijnlijk geen Grutto meer in Friesland. En daar houdt het niet op, want hoe zit het met de rest van het ecosysteem daar in Friesland? Of in Portugal? Of in West-Afrika…? Volg het bouwen van een vliegveld en je raakt verstrikt in een probleem dat ten minste drie continenten behelst, dat vogels aan vliegtuigen en toeristen aan Friese insecten linkt.

    Waar te beginnen? Aan een Le Corbusier hebben we hier duidelijk niks. Er is geen overzicht, geen geïsoleerd probleem maar een kluwen aan problematieken, en iedere handeling verandert de samenstelling van die kluwen.

    In onze radeloosheid wenden we ons tot jou, Arjen. Hoe beginnen we met verbetering, niet op een leeg vel, maar in een wereld die al bewoond is, door andere mensen, maar ook door beesten, planten en rivieren? Hoe beginnen we iets zonder het verleden te negeren? In een wereld die bovendien veranderlijk en onvoorspelbaar is, er aan het begin van een project anders uitziet dan aan het eind? Of moeten het idee van een begin en eind voorgoed de prullenmand van ideeën in doen?

    namens de redactie van De Praatshow, Tjesse Riemersma en Jesse Havinga